N.a.v. Henk G. Geertsema,
Bijbel & evolutie. Blijvend conflict of verrassende ruimte
(Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021)

Welke ruimte heeft de Bijbel voor de evolutietheorie? Henk Geertsema beantwoordt die vraag in een boek met de titel Bijbel & evolutie. Blijvend conflict of verrassende ruimte. Het laatste, volgens Geertsema: die ruimte is verrassend groot. Ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Dat neemt niet weg dat er nog wel vragen overblijven. Die betreffen de (eerste) zonde van de mens (daarover ging de eerste blog), het verschijnsel ‘dood’ in de mensenwereld (het onderwerp voor deze tweede blog), en de manier waarop Geertsema de ruimte vindt die hij zoekt: zijn omgang met Bijbelse gegevens (de derde blog).
Henk Geertsema over evolutie & dood
Een tweede spanningsveld tussen (de traditionele lezing van) de Bijbel en de evolutietheorie is het verschijnsel ‘dood’ in de mensenwereld. Is die dood er altijd geweest (evolutietheorie) of is die het gevolg van de zonde van de mens (zoals de Bijbel lijkt te zeggen)?
Geen doodstraf?
Volgens Geertsema zegt Genesis niet dat de dood een straf is op de zonde van de mens. De dreiging met de doodstraf in Genesis 2.17 (“Wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven”) wordt niet uitgevoerd. Dat Adam veel later wel sterft, is van een andere orde (147-149). “De dood lijkt eerder verbonden te zijn met het gemaakt zijn uit het stof van de aarde” (154). Daarvoor verwijst Geertsema naar 1 Korintiërs 15.45-49: de eerste mens Adam is stoffelijk, sterfelijk (230); sterven is iets wat bij het mens-zijn hoort (234). Maar Romeinen 5.12 dan? Daar zegt Paulus toch dat de dood het gevolg van de zonde is? Dat erkent Geertsema (232). Hoe zit dat dan? Geertsema’s antwoord: zowel in 1 Korintiërs 15 als in Romeinen 5 wil Paulus de betekenis van Christus toelichten vanuit de Schriften. In 1 Korintiërs 15 grijpt hij daarvoor terug op Genesis 2 (‘stoffelijk, dus sterfelijk geschapen’): de betekenis van Christus in verband met onze sterfelijkheid. In Romeinen 5 (‘door de zonde de dood’) grijpt Paulus terug op Genesis 3: de betekenis van Christus tegenover onze zonde (235v). Dat is waar, maar daarmee is het probleem niet opgelost: het blijft onbetwistbaar dat Paulus in Romeinen 5 een relatie legt tussen de zonde en de dood. Geertsema doet verder geen poging meer om dit probleem op te lossen. “Hoe we dit verschil [tussen 1 Korintiërs 15 en Romeinen 5] verder ook uitleggen, ik denk dat we ons op dit punt het beste kunnen houden aan wat Paulus schrijft in 1 Korintiërs 15.” (237). Dit is een erg onbevredigende passage.
Onsterfelijk?
Maar is er wel een probleem? Zegt 1 Korintiërs 15 dat de dood bij het mens-zijn hoort? Ja en nee. Ja: de mens beschikt niet over een natuurlijke onsterfelijkheid. Hij is stof en hem overkomt niet iets tegennatuurlijks wanneer hij tot stof terugkeert. Zonder levensboom is hij ten dode opgeschreven. Maar (en dat is het ‘nee’) sterfelijk-zijn betekent niet: onvermijdelijk moeten sterven. Dat is de verhaallijn in Genesis 2 en 3: wanneer de mens niet gezondigd zou hebben, was de levensboom binnen zijn bereik gebleven, en daarmee het (eeuwige) leven. Maar nu hij wel gezondigd heeft, is de toegangsweg tot de levensboom afgesloten en moet hij dus sterven. 1 Korintiërs 15.20-22 zegt inderdaad niet (Geertsema wijst hierop, 230) dat Adam de dood van allen heeft veroorzaakt door zijn zonde; het gaat Paulus hier om de opstanding in Christus tegenover de dood in Adam. Maar er is geen enkele reden om hier een tegenstelling te zien met Romeinen 5, kort geschreven na 1 Korintiërs (het is op zichzelf al moeilijk om Paulus op zulke tegenstrijdigheden te betrappen). Daar maakt hij expliciet wat in 1 Korintiërs impliciet blijft, de rol van de zonde: door de zonde is de dood in de wereld gekomen (Rom. 5.12).
En daarmee doet Paulus volledig recht aan Genesis 2 en 3. Geertsema verwijst naar twee situaties (Gen. 20.7 en 1 Sam. 14.44) waarin ook gezegd wordt dat iemand “zeker zal sterven” zonder dat dat dreigement wordt uitgevoerd, terwijl die personen uiteindelijk natuurlijk wel overleden zijn. Zo zou het ook voor Adam gelden (148v). Maar deze interpretatie gaat zeer tegen de lijn van het verhaal in. Binnen het verhaal is het heel onwaarschijnlijk dat de slang gelijk zou krijgen in plaats van God. Ook wanneer we Genesis lezen in de context van de literatuur van het oude Nabije Oosten (Geertsema onderstreept het belang daarvan, 155-163) kun je niet anders verwachten dan dat de oorzaak van de lichamelijke dood van de mensen wordt onthuld. Die verhalen beschrijven niet de situatie van de mens als zodanig, en ook Genesis doet dat niet (contra Geertsema 154): ze zijn bedoeld om het menselijke bestaan, ook de fysieke dood, te verklaren.
Is het Bijbelse spreken over de dood een obstakel voor het aanvaarden van de evolutietheorie? Dat hoeft niet. Het is denkbaar (ook al valt dat helemaal buiten de voorstellingswereld van Genesis) dat de voorlopers van de mens allemaal gestorven waren, maar dat God de mens in een veilige omgeving plaatste waar hij tegen de dood beschermd werd (zolang hij zich niet van God losmaakte). Hoe dat ook zij: de dood is niet onvermijdelijk; zonder zonde was ze er niet geweest, en als er geen zonde meer zal zijn, zal er ook geen dood meer zijn.