N.a.v. Henk G. Geertsema,
Bijbel & evolutie. Blijvend conflict of verrassende ruimte
(Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021)

Welke ruimte heeft de Bijbel voor de evolutietheorie? Henk Geertsema beantwoordt die vraag in een boek met de titel Bijbel & evolutie. Blijvend conflict of verrassende ruimte. Het laatste, volgens Geertsema: die ruimte is verrassend groot. Ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Dat neemt niet weg dat er nog wel vragen overblijven. Die betreffen de (eerste) zonde van de mens (daarover ging de eerste blog), het verschijnsel ‘dood’ in de mensenwereld (de tweede blog), en de manier waarop Geertsema de ruimte vindt die hij zoekt: zijn omgang met Bijbelse gegevens (het onderwerp van deze derde blog).
Hoe Henk Geertsema naar ruimte zoekt
Henk Geertsema is in zijn boek Schepping & evolutie nadrukkelijk op zoek naar ruimte in de Bijbel voor de resultaten van de moderne wetenschap. Daarom kijkt hij systematisch naar alle teksten in de Bijbel waarvan wel gedacht wordt dat ze in strijd zijn met de theorie van de evolutie (8). Er is niks mis mee om met zo’n belang naar Bijbelteksten te kijken, zeker niet als je daar open over bent. Je loopt natuurlijk wel het risico om te zien wat je graag wilt zien, en om ruimte te forceren waar de Bijbeltekst die niet biedt. Ik denk dat Geertsema niet aan dat gevaar ontkomen is. Ik geef daarvan twee voorbeelden. Daarna sta ik stil bij het begrip ‘kennishorizon’, dat een belangrijke rol speelt in de manier waarop Geertsema ruimte zoekt voor de evolutietheorie.
De levensboom
Betekent de aanwezigheid van de levensboom in de tuin van Eden dat de mensen gevrijwaard waren van de dood? Dat is wel de eerste indruk die het verhaal maakt, en het past binnen de thematiek van andere oorsprongsverhalen uit het oude Nabije Oosten. Maar binnen de evolutietheorie is het niet denkbaar dat mensen niet zouden sterven. En ook Geertsema meent dat de dood een natuurlijke zaak is, en niet het gevolg van het feit dat mensen gezondigd hebben (zie ‘Evolutie & dood‘).
Hoe beschrijft Geertsema de betekenis van de levensboom dan? Hij verwijst naar het boek Spreuken, waar de levensboom niet is verbonden met sterven, maar met goed leven, leven dat voluit tot ontplooiing komt (141). Ook in het boek Openbaring wijst de levensboom erop dat het leven tot volle ontplooiing zal komen (142). Geertsema concludeert: “De plaats van de levensboom in het verhaal maakt duidelijk dat in de tuin van Eden de mogelijkheid van ziekte en zelfs van de dood bestond” (153). Die conclusie lijkt me terecht (zie ‘Evolutie & dood’). Maar bestond de werkelijkheid van ziekte en dood ook? Het is mij niet helemaal duidelijk geworden hoe Geertsema die vraag beantwoordt. Door de zonde “wordt” de dood een onontkoombare realiteit voor ieder mens, schrijft hij (142). De mens was vatbaar voor ziekte en dood, maar door de aanwezigheid van de levensboom was er de mogelijkheid die te overwinnen (143). Is de dood dan toch niet het natuurlijke, onontkoombare einde van ieder mens? Maar dan blijft de spanning tussen de Bijbel en de evolutietheorie bestaan en is de gezochte ruimte niet gevonden.
Het gaat mij nu niet om deze onhelderheid in Geertsema’s betoog op zichzelf, maar om zijn aanpak. Door te verwijzen naar andere plaatsen waar ook gesproken wordt over een levensboom, en waar dat niet één op één betekent dat mensen gevrijwaard zijn van de dood, meent hij die conclusie ook te kunnen trekken voor de levensboom in de tuin van Eden. Maar die aanpak overtuigt niet. Je zult moeten beginnen met wat de levensboom in het verhaal van Genesis 2 en 3 zelf betekent. En het is evident dat binnen dat verhaal de levensboom in de tuin van Eden staat voor leven dat niet uitloopt op de dood. Alleen al Gods gedachte, nadat de mens van de boom van de kennis van goed en kwaad heeft gegeten, laat dat zien: “Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven” (Gen. 3.22). Nadat je dit vastgesteld hebt, kun je je afvragen hoe zich dat verhoudt tot ons inzicht dat de dood onlosmakelijk bij het leven hoort, en zul je je moeten verhouden tot zowel het Bijbelse verhaal als de evolutietheorie. Dat je in verband daarmee nog eens goed kijkt of de betreffende Bijbelteksten misschien toch anders gelezen kunnen of moeten worden dan altijd gedacht is, is legitiem. Maar dan moet je wel recht doen aan de eigen zegging en strekking van die teksten, en geen ruimte forceren die die teksten nu eenmaal niet geven.
Moeder Eva
Een tweede voorbeeld in deze categorie is Geertsema’s bespreking van het feit dat Eva “de moeder van alle levenden” wordt genoemd (Gen. 3.20) (149-151). Dat lijkt erop te wijzen dat Genesis wil vertellen dat alle mensen van Adam en Eva afstammen, wat uiteraard een spanning oplevert met de evolutietheorie. Hoe lost Geertsema deze spanning op? Hij verwijst naar twee teksten (Gen. 8.21 en Sirach 40.1) waar dezelfde uitdrukking ‘al wat leeft’ of ‘alle leven’ betekent. Dat is een riskante methode: eenzelfde uitdrukking kan in verschillende contexten een verschillende betekenis hebben. Zo ook in dit geval. In Genesis 8.21 zegt God na de zondvloed: “Nooit weer zal ik alles wat leeft doden, zoals ik nu heb gedaan.” Dat gaat inderdaad niet alleen over mensen, maar ook over dieren. Maar welke bewijskracht heeft dat voor de betekenis van Eva’s naam? In Sirach 40.1 wordt van ‘moeder aarde’ gezegd dat zij de moeder is van al wat leeft. Het is nogal vreemd om op grond daarvan te concluderen dat ook Eva de moeder is van al wat leeft (en niet alleen van mensen). Toch doet Geertsema dat wel. Daarmee creëert hij een probleem: hoe kan Eva ook de moeder van dieren zijn? Om dat probleem op te lossen doet Geertsema een greep naar weer twee andere teksten, waar ‘moeder’ wordt gebruikt als erenaam: Debora is ‘een moeder in Israël’ (Recht. 5.7), en een stad kan een moeder worden genoemd (2 Sam. 20.19). Dus zal ‘moeder’ in het geval van Eva ook wel een erenaam zijn, ‘bron van leven’ – maar dat betekent in ieder geval niet: moeder van alle mensen.
Net als bij het vorige voorbeeld verwijdert Geertsema zich zo van de toch wel voor de hand liggende interpretatie dat Adam zijn vrouw ‘moeder van alle levenden’ (mensen) noemt. Dat past precies in de context: in het voorafgaande vers heeft God uitgesproken dat de man zal zweten voor z’n brood totdat hij tot stof zal terugkeren: de dood is zijn einde. Dat Adam zijn vrouw Eva noemt is een reactie daarop. Deze interpretatie sluit ook aan bij het gegeven dat het ook in andere verhalen uit het oude nabije Oosten gaat om (de oorzaak van en de overwinning op) de lichamelijke dood.
Wat is het probleem met de manier van exegetiseren in de twee voorbeelden (eenzelfde woord of uitdrukking elders opzoeken en dan de betekenis van die andere plaatsen importeren in de tekst die aan de orde is, tegen de strekking van die tekst zelf in)? Op deze manier laat je niet eerst de Bijbel uitspreken en haar eigen verhaal vertellen. Dat is niet de goede manier om in de Bijbel ruimte te zoeken voor de evolutietheorie.
Maar als dat eigen verhaal van de Bijbel dan niet strookt met de resultaten van de moderne wetenschap? Geertsema hanteert een hermeneutische sleutel die een antwoord inhoudt op deze vraag: het begrip ‘kennishorizon’.
Kennishorizon
Ook al ga je nog zo ver in het zoeken of forceren van ruimte in de Bijbel voor de evolutietheorie, op een gegeven moment houdt het op. Er zijn allerlei elementen die zich niet laten wegexegetiseren, maar die een verzoening tussen het verhaal van de Bijbel en dat van de evolutietheorie in de weg lijken te staan. Bijvoorbeeld het feit dat Paulus ervan uitgaat (en Jezus waarschijnlijk ook, 102, 107) dat Adam en Eva de eerste mensen zijn geweest (107, 111, 127), en het verhaal van de zondvloed (196, 207; ook Jezus lijkt ervan uit te gaan dat de zondvloed echt heeft plaatsgevonden, 202). Wat moet je hiermee? Geertsema stelt: Gods Woord komt in de Bijbel naar ons toe door concrete mensen, met hun mogelijkheden en beperkingen. Dat geldt ook hun geografische, geologische en historische kennis. Dat is hun kennishorizon. Maar daar zijn wij niet aan gebonden. Onze kennis is sterk toegenomen, en daaraan mogen we ons niet onttrekken (36v, 41-43, 335).
Is dit een hanteerbare sleutel? Geertsema wil onderscheiden tussen de Bijbelse boodschap (die vraagt om geloof) en de menselijke kennishorizon. Maar waar ligt dat onderscheid precies? In een recensie in het Nederlands Dagblad d.d. 19 februari 2021 schrijft Dick Schinkelshoek terecht: “Hoe je echter de boodschap en kennishorizon van elkaar kunt scheiden, blijft bij Geertsema een lastige.” Daarbij moeten we bedenken dat het wat betreft Geertsema niet alleen over geografische, geologische en historische kennis gaat, maar ook over de ethische en geloofsinzichten van de Bijbelschrijvers: ook die kunnen te maken hebben met hun beperkte kennishorizon, en zijn dan voor ons niet gezaghebbend (36). Geertsema geeft van dat laatste geen voorbeelden. Maar zo wordt het wel spannend. Op die spanning ging ik in in een blog naar aanleiding van het synoderapport van de Generale Synode van Goes 2020 van de GKv dat ten grondslag ligt aan het besluit om de ambten open te stellen voor vrouwen: ‘Hoe een rapport vóór de vrouw in het ambt je bijna tot een tegenstander maakt‘.