N.a.v. Henk G. Geertsema,
Bijbel & evolutie. Blijvend conflict of verrassende ruimte
(Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2021)

Welke ruimte heeft de Bijbel voor de evolutietheorie? Henk Geertsema, emeritus hoogleraar christelijke filosofie (voorheen: ‘reformatorische wijsbegeerte’), beantwoordt die vraag in een boek met de titel Bijbel & evolutie. Blijvend conflict of verrassende ruimte. Met zo’n titel weet je het antwoord al voordat je het boek gelezen hebt: die ruimte is verrassend groot, volgens Geertsema. Ik denk dat hij daarin gelijk heeft. (In mijn proefschrift1 hield ik mij ook bezig met die vraag; in deze blog maak ik gebruik van wat ik daar schreef.) Dat neemt niet weg dat er nog wel vragen overblijven. Die betreffen de (eerste) zonde van de mens (daarover deze eerste blog), het verschijnsel ‘dood’ in de mensenwereld (het onderwerp voor de tweede blog over zijn boek), en de manier waarop Geertsema de ruimte vindt die hij zoekt: zijn omgang met Bijbelse gegevens (de derde blog).
Henk Geertsema over evolutie & erfzonde
Eerst dus de klassieke erfzondeleer – een belangrijk obstakel voor het aanvaarden van de evolutietheorie. De erfzondeleer impliceert dat er in de geschiedenis van de mensheid een zondeloze periode is geweest en dat de zonde de wereld is binnengekomen door één mens. Die beide implicaties zijn binnen de evolutietheorie niet denkbaar. Hoe lost Geertsema dit probleem op? Een groot deel van zijn boek is gewijd aan het ontmantelen van de klassieke erfzondeleer. In diverse opzichten is dat terecht. Maar slaagt Geertsema erin om die leer pasklaar te maken voor de evolutietheorie?
Binnen de evolutietheorie is het niet denkbaar dat er een periode is geweest waarin de mens geen zondaar was. Toen de homo sapiens ontstond, kreeg hij attitudes als egocentrisme, agressiviteit, zelfhandhaving ten koste van anderen en seksuele promiscuïteit mee vanuit de dierenwereld. Er is dus geen sprake van een ‘zondeval’. Nu zou je kunnen zeggen (en dat wordt ook wel gezegd, bijvoorbeeld door Gijsbert van den Brink2): zulke attitudes zijn op zichzelf niet verkeerd en horen bij het mens-zijn (bijvoorbeeld instinctieve driften en neigingen als assertiviteit en agressiviteit). Dat is waar, maar het gaat ook om zaken die volgens de Bijbel op zichzelf al zonde zijn, bijvoorbeeld begeerte of jaloezie. Niet pas het toegeven aan zulke attitudes is zonde, maar ook de geringste neiging of gedachte in ons hart die tegen enig gebod van God ingaat, zoals de Heidelbergse Catechismus terecht stelt (v/a 113). Het blijft dus lastig om de verhaallijn van de evolutietheorie en die van de Bijbel met elkaar te verbinden.
De rol van Adam
Maar hoort de zondeval wel bij de Bijbelse verhaallijn? Geertsema stelt diverse vragen bij de traditionele uitleg van Genesis 3 en Romeinen 5. Sommige daarvan zijn terecht. Bijvoorbeeld: Genesis 3 en Romeinen 5 zeggen inderdaad niet dat alle mensen ‘in’ Adam gezondigd hebben (134, 139). Wat is in de Bijbel dan wel de rol van Adam, of het daarbij nu om een concrete man gaat, of om ‘de mensheid’? Die rol wordt door Geertsema geminimaliseerd. Wat Paulus in Romeinen 5.12 schrijft over het verband tussen zonde en dood bij Adam en de andere mensen heeft volgens hem geen zelfstandige betekenis: het gaat om de vergelijking met Christus (214v). Die vergelijking dient om duidelijk te maken dat de heerlijkheid die Christus verwerkelijkt, bestemd is voor alle mensen (218).
Is daarmee voldoende gezegd? Ik denk het niet. Het feit dat in de vergelijking tussen Christus en Adam de rol van Adam geen zelfstandige betekenis heeft, betekent niet dat die géén betekenis heeft. Het punt van vergelijking tussen Christus en Adam in Romeinen 5.12-19 is het ‘allen door één’: zoals door de overtreding van één mens alle mensen als zondaars aangemerkt worden (omdat alle mensen, nadat Adam gezondigd had, onontkoombaar zijn gaan zondigen), zo zullen door de gehoorzaamheid van Christus velen als rechtvaardigen aangemerkt worden (Rom. 5.19 HSV). ‘Adam’ is dus degene die de zonde heeft binnengelaten. Als hij dat niet had gedaan, was de zonde niet binnengekomen. Daaraan doet Geertsema geen recht als hij schrijft dat in Genesis 3 niet wordt gezegd, “tenminste niet expliciet”, dat de mens en zijn vrouw vóór de overtreding zonder zonde waren (139). Niet expliciet, inderdaad, maar binnen het verhaal impliciet toch wel heel duidelijk!
Andere oorsprongsverhalen
Een vergelijking met andere oud-oosterse oorsprongsverhalen onderstreept dit. Geertsema benadrukt, terecht, het belang van een vergelijking met andere, vergelijkbare verhalen uit de wereld van het oude Nabije Oosten (155-163). In zijn epiloog schrijft hij: “Niet de overeenkomsten tussen deze teksten en die uit andere culturen [ik zou zeggen: uit dezelfde culturele context – maar dit ter zijde] zijn belangrijk voor de boodschap ervan, maar de verschillen” (337). Zo is het. Het is daarom veelzeggend dat het thema ‘zondeval’ in al die andere verhalen ontbreekt. Die literatuur kent geen parallel voor de boom van de kennis van goed en kwaad. In die literatuur is het niet de mens die het kwaad in de wereld brengt, maar zetten mensen voort wat goden altijd al gedaan hebben. De schuld voor het kwaad wordt niet gelegd bij een overtreding van de mens. Dit gegeven onderstreept het belang juist van dit element in de eerste hoofdstukken van Genesis. Daar is het wèl de mens die verantwoordelijk is voor het binnenlaten van de zonde.
Onbeantwoord
Hoezeer Geertsema het traditionele beeld van een ‘zondeval’ ook terugdringt, uiteindelijk handhaaft ook hij die. Hij stelt, als een soort theologische ondergrens van hoever hij wil gaan: “Het kwaad als zonde waarvoor de mens verantwoordelijk is, heeft dus op de een of andere manier ooit een begin gehad. In die zin zou je nog steeds van een historische zondeval kunnen spreken” (300). Het wanneer en hoe van dat begin onttrekt zich aan onze kennis, schrijft Geertsema in dat verband (300). Daar kan hij gelijk in hebben. Maar ook dan blijft de vraag: is zo’n begin evolutionair denk-baar? Die vraag blijft onbeantwoord. Ook Geertsema slaagt er niet in om de verhaallijn van de Bijbel en die van de evolutietheorie met elkaar te verbinden.
Geef een reactie